Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen over kalibratie

Veelgestelde vragen

Slechts weinig kalibratienormen zeggen iets over het kalibratie-interval; in de meeste gevallen bepaalt de gebruiker dit dus zelf.
Er zijn echter aanbevelingen – meestal 12 maanden – en bepaalde omstandigheden die een kalibratie noodzakelijk maken, zoals het opnieuw opstellen van de apparatuur of afwijkingen. Houd in elk geval rekening met het volgende: Wordt bij een periodieke kalibratie een afwijking vastgesteld, dan is niet bekend wanneer deze voor het eerst is opgetreden. Alleen de laatste kalibratiedatum bevestigt een foutloze toestand. Met andere woorden: hoe korter de kalibratie-intervallen, hoe korter de periode waarin afwijkingen kunnen zijn opgetreden.


Een conformiteitsverklaring is een beoordeling. Om een beoordeling uit te voeren, moeten criteria zijn vastgelegd (de criteria voor conformiteitsbeoordeling). Dat betekent dat de opdrachtgever en het kalibratielaboratorium vóór de kalibratie moeten afspreken wanneer een apparaat „in orde” is en wanneer niet. Voldoet het apparaat dan niet aan de eisen, dan moet het laboratorium reageren en de klant onmiddellijk informeren.

Ja. Omdat wij zelf geen beproevingsmachines produceren, kalibreren wij uitsluitend apparatuur van andere fabrikanten – onafhankelijk en voor alle merken.

In de meeste gevallen kalibreren wij direct bij u op locatie. In bijzondere gevallen kunnen apparaten ook naar ons worden gestuurd. Let op: de meeste apparaten moeten na verplaatsing opnieuw worden gekalibreerd.

Afhankelijk van het type machine duurt een kalibratie twee tot vier uur. Na afronding van alle kalibratiewerkzaamheden bij u ontvangt u uw kalibratiecertificaat binnen 14 dagen.

De machine moet vrij toegankelijk zijn, en een medewerker moet weten waar de bijbehorende accessoires (bijv. andere inklemmingen) liggen. De omgevingstemperatuur moet ten minste tijdens de kalibratie zo constant mogelijk worden gehouden.

Bij een fabriekskalibratie hangt de inhoud van het kalibratiecertificaat volledig af van de uitgever. Het uitvoerende bedrijf bepaalt hoe groot de omvang van de kalibratie is en of, en zo ja hoeveel, resultaten worden vermeld. Bovendien is de manier waarop de meetonzekerheid wordt bepaald niet expliciet beschreven. Herleidbaarheid van de gebruikte transfernormalen kan gewaarborgd zijn, maar wordt door geen enkele accreditatie-instantie gecontroleerd.
Bij een kalibratie binnen het geaccrediteerde bereik van een bedrijf (kortweg DAkkS-kalibratie) moet het uitvoerende bedrijf zich aan de betreffende kalibratienorm houden. Bestaat die niet, dan moet het laboratorium zelf een procedure opstellen die vervolgens door de accreditatie-instantie wordt geverifieerd. Wordt volgens een norm gekalibreerd, dan zijn alle resultaten, inclusief de vermelde meetonzekerheden, wereldwijd vergelijkbaar. Daarnaast zijn de opmaak en vormgeving van de eerste pagina van een kalibratiecertificaat dat door een geaccrediteerd kalibratielaboratorium is uitgegeven, in heel Duitsland voorgeschreven.

Na de kalibratie van een beproevingsapparaat ontvangt u een kalibratiecertificaat en wordt er een kalibratiesticker op het apparaat aangebracht. Of het apparaat geschikt is voor uw toepassing, blijkt echter pas uit het kalibratiecertificaat. Daarin worden doorgaans fouten in % of klassen vermeld. Ook hier beslist alleen de gebruiker of de vermelde fout of klasse voldoende is voor het beoogde gebruik. Test u bijvoorbeeld materiaal met een tolerantie van 10 %, dan kunt u ook een apparaat gebruiken met een vermelde fout van 2 %. U corrigeert het beproevingsresultaat met de betreffende fout, of u verlaagt de tolerantie eenvoudig tot bijvoorbeeld 8 %. Meestal eist uw afnemer een bepaalde machinetolerantie. Voor trek-, druk- en buigbanken wordt doorgaans klasse 1 vereist. Wat klasse 1 precies inhoudt, staat in de betreffende norm – of vraag het gewoon aan uw kalibratiedienstverlener.
Vóór een kalibratie vragen wij u bijvoorbeeld naar de criteria voor de zogeheten conformiteitsbeoordeling. Zo kunnen wij uw apparaat tijdens de kalibratie beoordelen en u na afloop een beoordeling geven.

Dit is de zogeheten overlappende meetreeks. Die ontstaat wanneer het kalibratielaboratorium tijdens een meetreeks een ander meetmiddel inzet. Om te waarborgen dat beide meetmiddelen op vrijwel dezelfde manier worden ingebouwd en gebruikt, wordt een meetreeks eerst met meetmiddel 1 en daarna hetzelfde meetpunt met meetmiddel 2 gekalibreerd. Het verschil tussen beide metingen mag niet groter zijn dan de toegestane afwijking van de beoogde klasse. De dubbele meting bevestigt bovendien de nauwkeurigheid van de meetmiddelen van het kalibratielaboratorium. Doorgaans mogen de afwijkingen niet groter zijn dan 0,1 tot 0,2 %.